In deze aflevering van ‘IBR – De podcast’ behandelen Fleur Onrust (SIX advocaten) en Daan Korsse (RNMW advocaten) recente jurisprudentie en actualiteiten op het gebied van het omgevingsrecht, natuurbeschermingsrecht, soortenbescherming en stikstof.
Shownotes
Natuurbescherming / gebiedsbescherming
- Rb. Oost-Brabant, 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:473 (intrekking, natuurvergunning, stikstof, Wnb, art. 2.7 Wnb, art. 2.4 Wnb, aanschrijvingsbevoegdheid)
Centraal staat het besluit tot afwijzing van het verzoek om gedeeltelijke intrekking en wijziging natuurvergunning uit 2016. Rechtbank ziet geen ruimte voor toepassing van de aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb naast een gedeeltelijke intrekking of wijziging van een natuurvergunning op basis van artikel 5.4, eerste of tweede lid, van de Wnb. Als er een vergunning is verleend bestaat er voor de aanschrijvingsbevoegdheid geen ruimte meer.
De rechtbank overweegt dat de Wnb de mogelijkheid biedt om beperkingen te stellen aan een reeds vergunde activiteit. Het college is in dit geval bevoegd om de natuurvergunning te wijzigen, omdat het bedrijf in de aanvraag voor de natuurvergunning uit 2016 geen melding heeft gemaakt van de aanpassingen aan een van de installaties in haar project. Het gaat slecht met het Natura 2000- gebied Brabantse Wal en dat is een gewijzigde omstandigheid. Het college is verplicht hier iets aan te doen. Het is onvoldoende duidelijk of de landelijke en provinciale maatregelenpakketten hierin op tijd een kentering gaan brengen. Passende maatregelen kunnen ook preventief worden genomen en daarom draagt de rechtbank het college op om voor 28 februari 2025 een nieuw besluit te nemen. De rechtbank gaat ervan uit dat in de tussentijd nieuw provinciaal beleid wordt vastgesteld over de intrekking en wijziging van natuurvergunningen. Dit beleid kan het college bij het nieuwe besluit betrekken. Als geen nieuw intrekkingen- en wijzigingenbeleid wordt vastgesteld, geeft de rechtbank het college de aanwijzing de natuurvergunning uit 2016 zodanig te wijzigen dat een substantieel deel van de latente emissieruimte vanwege de Cogen2 installatie wordt beperkt. Hierbij moet het college de concrete plannen over de ontwikkeling van activiteiten binnen het project van [naam] op korte termijn betrekken. Bij deze uitspraak is een nieuwsbericht (Provincie moet chemisch bedrijf in Bergen op Zoom maatregelen opleggen) uitgebracht.
Milieu – stikstof
- Rb. Oost-Brabant 16 oktober 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:4825 (omgevingsvergunning milieu , Wabo, revisievergunning, voorschriften, BBT, Activiteitenbesluit, stikstof)
Beroep ingesteld door de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport tegen twee vergunningsvoorschriften van een revisievergunning (milieu) van een omgevingsvergunning milieu voor Dow verleend door het college van gedeputeerde staten van Zeeland. In de twee voorschriften wordt met toepassing van artikel 2.22, vijfde lid van de Wabo een gesommeerde grenswaarde opgesteld voor de stikstofuitstoot van het grootste complex binnen Dow. Hierbij wordt tegelijkertijd afgeweken van de landelijke eisen voor stookinstallaties (paragrafen 5.1.1 en 5.1.5 van het Abm). De rechtbank is van oordeel dat het college te gemakkelijk is afgeweken van de landelijke eisen en onvoldoende heeft onderbouwd waarom een relatief soepele emissiegrenswaarde wordt opgelegd aan Dow. Daarbij betrekt de rechtbank dat Dow een van de grootste stikstof uitstotende bedrijven in Nederland is. Door deze keuze hoeft Dow haar bestaande installaties niet te verbeteren en haar hoge stikstofuitstoot niet te verminderen. Binnen Dow worden de best beschikbare technieken (BBT) toegepast. Maar de rechtbank overweegt dat dat niet wil zeggen dat Dow niets hoeft te doen om tot een lagere stikstofuitstoot te komen, mede gelet op het feit dat de wetgever in het Abm nu eenmaal strengere NOx emissiegrenswaarden heeft opgenomen dan de emissieniveau’s in de toepasselijke BBT’s. Het college krijgt de kans om de gebreken in het besluit te herstellen, mede omdat de rechtbank meerdere oplossingsrichtingen ziet.
Natuurbeschermingsrecht / gebiedsbescherming
- ABRvS 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3949 (stikstof, beroep SSRS slaagt, snelheidsverlaging, art. 2.7 Wnb)
Aan de orde is een natuurvergunning verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voor de bouw en het gebruik van 17 woningen in Callantsoog. Volgens het college veroorzaken de bouw en het gebruik van de woningen stikstofdepositie. De stikstofdepositie tijdens de bouwfase blijft op grond van artikel 2.9a van de Wnb – de zogenoemde bouwvrijstelling – bij de beoordeling van de vergunning buiten beschouwing. Hierover wordt uiteraard geoordeeld dat het beroep slaagt, gelet op de tussenuitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3159 (Porthos) kan niet worden uitgegaan van de bouwvrijstelling. De stikstofdepositie in de gebruiksfase wordt uitsluitend veroorzaakt door verkeer van en naar de woningen. Het college heeft daarom op grond van artikel 2.8, derde lid, van de Wnb in samenhang gelezen met artikel 2.4 tot en met 2.7 van de Rnb een vergunning verleend voor het gebruik van de woningen. De toedeling van de depositieruimte voor dit project is door het college afgeboekt in het SSRS in AERIUS-register. Voor de stikstofdepositie in de gebruiksfase is voldoende depositieruimte beschikbaar in het SSRS. Appelanten hebben betoogd dat geen gebruik gemaakt kan worden van de depositieruimte uit het SSRS. Voor de beantwoording van de vraag of het college gebruik kon maken van de depositieruimte die afkomstig is van de snelheidsmaatregel is het volgende van belang. De toedeling van depositieruimte uit het SSRS bij de verlening van een natuurvergunning is een mitigerende maatregel. Deze mitigerende maatregel mag in de passende beoordeling voor dit project worden betrokken als de verwachte voordelen daarvan vaststaan. De verwachte voordelen staan niet vast als het niveau van wetenschappelijke kennis het niet mogelijk maakt dat die voordelen met zekerheid in kaart worden gebracht of gekwantificeerd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, PAS, overweging 18).
De Afdeling is van oordeel dat (de omvang van) het positieve effect van de snelheidsmaatregel ten tijde van het verlenen van de natuurvergunning niet vast stond. Dat betekent dat appellant en anderen terecht betogen dat niet vaststond dat de vermindering van de depositie door de snelheidsmaatregel die in het SSRS voor het Natura 2000-gebied Duinen Den Helder-Callantsoog is opgenomen, was gerealiseerd. Daarom kon het college de depositieruimte door de snelheidsmaatregel niet als mitigerende maatregel bij de verlening van de natuurvergunning betrekken. Dat betekent dat het college op basis van de passende beoordeling niet de zekerheid heeft verkregen dat het aangevraagde project de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. - ABRvS 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:398 (stikstof, extern salderen, ViA15 einduitspraak)
In deze (eind)uitspraak ViA15 is de nadere motivering voor de inzet van extern salderen aan de orde. Voor het project worden 6 agrarische bedrijven uitgekocht waarmee extern gesaldeerd wordt. Uit de nadere onderbouwing van de minister inzake het extern salderen blijkt dat de stikstofneerslag in de zeven Gelderse beschermde natuurgebieden blijvend omlaag moet. Dit betekent dat extern salderen bij deze zeven beschermde natuurgebieden alleen mag als de stikstofneerslag op deze gebieden is gedaald en aannemelijk is dat deze blijft dalen. Volgens de minister is dat het geval. Uit de nadere onderbouwing blijkt dat de stikstofneerslag op de gebieden is gedaald en in de periode tot 2030 verder blijft dalen. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak volstaat deze motivering.
Handhaving
- ABRvS 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3824 (overtreder, wel functioneel dader, woondoeleinden)
Verhuren van een woning aan een huurder voor 2.000,-, terwijl woning “geschikt is voor kamergewijze verhuur” en de indicaties dat er onderverhuur plaatsvond.
De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat appellant als overtreder kan worden aangemerkt. Gelet op artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder overtreder verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is overtreder in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Zoals de Afdeling uiteen heeft gezet in de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2071, houdt de rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad voor zover het gaat om natuurlijke personen in dat een (verboden) gedraging in redelijkheid aan de verdachte als (functioneel) dader kan worden toegerekend indien deze erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en indien zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte werd aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Vergelijk ook de arresten van de Hoge Raad van 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3 (IJzerdraad-arrest), en van 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3487.
Het bestuursorgaan moet bewijzen dat aan beide criteria voor functioneel daderschap is voldaan. Vergelijk de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:579, ov. 1.11.
Partijen zijn het erover eens dat [appellant] kon beschikken over de omzetting van de woning in onzelfstandige woonruimte zonder de daarvoor benodigde vergunning. Partijen zijn verdeeld over de vraag of [appellant] de overtreding heeft aanvaard. De Afdeling oordeelt dat het college heeft aangetoond dat [appellant] de onrechtmatige omzetting heeft aanvaard. Uit wat [appellant] heeft aangevoerd volgt dat hij op 1 maart 2019 ervan op de hoogte raakte dat [persoon A] de woning onderverhuurde aan derden. Concrete aanwijzingen waaruit volgt dat daarbij sprake was van inwoning, zijn gesteld noch gebleken. Het lag dan ook op de weg van [appellant] om te verzekeren dat geen sprake was van omzetting van de woning in onzelfstandige woonruimte. Zo had hij zich ervoor kunnen inspannen dat de woning door niet meer dan één huishouden zou worden bewoond, of had hij een omzettingsvergunning kunnen aanvragen. Het meedelen aan [persoon A] dat aan de regels voor hospitaverhuur moet worden voldaan, op straffe van beëindiging van de overeenkomst, de regels overleggen en het laten opmeten van de woning, was in dit geval onvoldoende. [appellant] mocht er namelijk niet zonder meer van uitgaan dat daarmee het feitelijk gebruik van de woning in overeenstemming met de regels zou zijn. De Afdeling acht daarbij van belang dat [appellant] wist dat de woning al deels werd onderverhuurd aan derden, zonder dat daarvoor een schriftelijke toestemming was overgelegd die volgens het huurcontract vereist was, dat de hoofdhuurder een huurprijs van € 2.000,00 betaalde en dat de woning geschikt was om kamergewijs te worden bewoond door meerdere huishoudens. Uit het rapport volgt namelijk dat de woning, naast een gemeenschappelijke ruimte, een keuken, een douche en twee wc’s, beschikte over vijf kamers. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] dan ook niet de zorg betracht die in redelijkheid van hem kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van het omzetten of omgezet houden van de woning. - ABRvS 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3864 (overtreder, geen functioneel dader, woondoeleinden, eigenaar wist niet noch kon weten dat huurders woning feitelijk hadden omgezet. Verhuur van woning)
De Afdeling is van oordeel dat het college niet heeft aangetoond dat appellant als overtreder kan worden aangemerkt. Daartoe overweegt zij als volgt.
Gelet op artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is overtreder in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Voor beantwoording van de vraag of een ander als functionele pleger van de overtreding kan worden aangemerkt, is de Afdeling in haar uitspraken van 31 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ECLI:NL:RVS:2023:2071) aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap, zoals die zijn geformuleerd door de strafkamer van de Hoge Raad. Zoals de Afdeling uiteen heeft gezet in de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2071, houdt de rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad voor zover het gaat om natuurlijke personen in dat een (verboden) gedraging in redelijkheid aan de verdachte als (functioneel) dader kan worden toegerekend indien deze erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en indien zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte werd aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Vergelijk ook de arresten van de Hoge Raad van 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3 (IJzerdraad-arrest), en van 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3487.
Het bestuursorgaan moet bewijzen dat aan de criteria voor functioneel daderschap is voldaan. Vergelijk de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:579, ov. 1.11.
Partijen zijn het erover eens dat appellant kon beschikken over de omzetting van de woning in onzelfstandige woonruimte zonder de daarvoor benodigde vergunning. Partijen zijn verdeeld over de vraag of appellant de overtreding heeft aanvaard.
Uit de overgelegde huurovereenkomst blijkt dat [appellant] de gehele woonruimte aan [persoon C] en [persoon D] als medehuurders verhuurde. Verder is in de overeenkomst bepaald dat onderverhuur alleen is toegestaan als aan de regels voor hospitaverhuur wordt voldaan. Uit de in het rapport opgenomen verklaring van [persoon B], de overgelegde plattegrond van de woning, het meetrapport en het beeldverslag volgt dat het gebruiksoppervlak van het souterrain van de woning groter is dan het gebruiksoppervlak van de begane grond en dat de wezenlijke voorzieningen als de keuken, de badkamer en het toilet, als ook twee slaapkamers, zich op de begane grond bevinden. Verder volgt uit de verklaring van [persoon B] dat de bewoners ten tijde van de controle op de hoogte waren van de hospitaregels. In zoverre waren de omstandigheden geschikt om aan de voorwaarde voor hospitaverhuur te voldoen dat de verhuurder het exclusieve gebruiksrecht heeft op 50% van het gebruiksoppervlak van de woning. Zoals de Afdeling onder 8.3 heeft overwogen, is het omzettingsverbod als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder c, van de Hw evenwel overtreden, omdat [persoon C] en [persoon D] ten tijde van de controle op 4 juli 2019 feitelijk niet het exclusieve gebruiksrecht hadden op het souterrain van de woning. Maar concrete omstandigheden op basis waarvan [appellant] dit wist of had moeten weten heeft het college niet aangevoerd. Het college heeft daarmee haar standpunt dat appellant controle op het gebruik van de woning had moeten uitoefenen, onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat het college niet heeft aangetoond dat [appellant] niet de zorg heeft betracht die in redelijkheid van hem gevergd kon worden met het oog op het voorkomen van de omzetting van de woning.
Bestuursprocesrecht, termijnoverschrijding
- ABRvS 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3987 (verschoonbare termijnoverschrijding, PostNL, afhaalbericht. Uitspraak verzonden)
De Afdeling overweegt dat het niet afhalen van de aangetekende brief niet voor rekening van de maatschap komt en de termijnoverschrijding om die reden verschoonbaar wordt geacht. Als een besluit of uitspraak aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Als het bestuursorgaan of de rechter op grond van de bevindingen van dat onderzoek concludeert dat PostNL het stuk op het juiste adres heeft uitgereikt of daar een zogenoemd afhaalbericht heeft achtergelaten, rechtvaardigt dat het vermoeden dat het stuk op regelmatige wijze op dat adres is aangeboden. Het niet ophalen van dat stuk komt voor risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende dat hij geen afhaalbericht heeft ontvangen, dan ligt het op zijn weg om het aan de gegevens van PostNL ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de belanghebbende aannemelijk maakt dat het stuk niet is ontvangen of aangeboden. Voldoende is dat hij feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan de ontvangst of de aanbieding van het stuk, in weerwil van de gegevens van PostNL, redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de belanghebbende erin het vermoeden van regelmatige bezorging te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het desbetreffende stuk niet op regelmatige wijze op het adres van die partij is aangeboden.
De Afdeling ziet in wat de maatschap heeft aangevoerd voldoende aanknopingspunten op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat inderdaad een afhaalbericht in de brievenbus is achtergelaten. De Afdeling betrekt hierbij dat de maatschap binnen afzienbare tijd na de ontvangst van de uitspraak alsnog hoger beroep heeft ingesteld. Omdat de rechtbank de uitspraak pas (ruim) na het verstrijken van de hogerberoepstermijn nogmaals per aangetekende post heeft gestuurd, was het voor de maatschap ook niet meer mogelijk om tijdig hoger beroep in te stellen. Dit betekent dat het niet afhalen van de aangetekende brief niet voor rekening van de maatschap komt en de termijnoverschrijding om die reden verschoonbaar wordt geacht.