Aflevering 57 – Jurisprudentie en actualiteiten omgevingsrecht (februari 2025)

In deze aflevering van ‘IBR – De podcast’ behandelen Fleur Onrust (SIX advocaten) en Daan Korsse (RNMW advocaten) rde meest opvallende actualiteiten en uitspraken op het gebied van stikstof, het natuurbeschermingsrecht, ruimtelijke ordening en handhaving.


Shownotes

Stikstof, gebiedsbescherming, natuur

  • ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:759 (GOL, einduitspraak)
    Art. 2.7 Wet natuurbescherming (Wnb) Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant (Beleidsregel), extern salderen. Referentiesituatie natuurvergunning niet beperkt door milieutoestemming Activiteitenbesluit. Einduitspraak na tussenuitspraken van ABRvS 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:625 en ABRvS 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2627. In deze einduitspraak wordt geoordeeld dat de gebreken goed zijn hersteld. Anders dan VGNB en anderen veronderstellen, volgt ook uit de jurisprudentie van de Afdeling niet dat een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer een beperking vormt van de referentiesituatie wanneer deze is gebaseerd op een toestemming op grond van artikel 2.7 en 2.8 van de Wnb. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 (de 18 december-uitspraak), onder 19.2. Het betoog slaagt niet.
  • Rb. Midden-Nederland 12 februari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:737 (Wnb, intern salderen, 18 dec 2024 uitspraken. Natuurvergunning wijzigen eendenslachterij)
    De rechtbank overweegt dat de Afdeling recent aanleiding heeft gezien om haar rechtspraak over intern salderen te wijzigen. Verwijzing naar ABRS 18-12-2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923. I.c. wordt geoordeeld dat de beoordeling die aan deze natuurvergunning ten grondslag ligt alleen al vanwege de eisen die uit de 18 december 2024 uitspraak volgen niet in stand kan blijven. Partijen zijn het daar mee eens. Dit betekent dat aan de natuurvergunning een gebrek kleeft. Geen aanleiding wordt gezien om een tussenuitspraak te doen en gedeputeerde staten in de gelegenheid te stellen om het gebrek in de natuurvergunning te herstellen. Uit de 18 december 2024-uitspraak volgt dat vergunninghouder alsnog een passende beoordeling moet laten maken van de mogelijke gevolgen van de aangevraagde activiteit op het Natura-2000 gebied Veluwe. Daarna moeten gedeputeerde staten nog een zogenoemde additionaliteitstoets verrichten. De rechtbank gaat ervan uit dat deze stappen geruime tijd gaan duren en de uitkomst daarvan heel onzeker is. Het verzoek om aanhouding wordt afgewezen, omdat de rechtbank de voortgang van de procedure (redelijke termijn) moet bewaken en rekening moet houden met alle betrokken belangen, waaronder ook die van eisers. De rechtbank vindt het belang van vergunninghouder om de natuurvergunning niet te verliezen niet zwaar genoeg wegen om te prevaleren boven de andere belangen.
  • Rb. Noord-Holland 23 januari 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:1587 (Natuurbescherming, verzoek intrekking vergunning, Habitatrichtlijn, art. 5.4 lid 2 Wnb, gedeeltelijke aanpassing vergunning, additionaliteit)
    De rechtbank overweegt dat verweerder op goede gronden de aan Tata Steel verleende natuurvergunning uit 2016 niet (volledig) heeft ingetrokken, maar wel gedeeltelijk heeft gewijzigd. Verweerder heeft in het bestreden besluit toereikend gemotiveerd dat – naast de aan Tata Steel in het bestreden besluit opgelegde nieuwe voorschriften – op landelijk en provinciaal niveau verschillende (andere) maatregelen worden getroffen voor de reductie van stikstofdepositie. Ook heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat deze maatregelen daadwerkelijk tot een (noodzakelijke) daling van de stikstofdepositie leiden. Hetgeen MOB c.s. hier in beroep tegenin hebben gebracht, is onvoldoende concreet om te oordelen dat de door verweerder genoemde landelijke en provinciale maatregelen niet tot een dalende stikstofdepositie leiden en dus geen passende maatregelen zijn. Gelet op de overeenstemming tussen verweerder en Tata Steel past de rechtbank enkele nieuwe vergunningsvoorschriften aan.

Omgevingswet, bouwen, fase 1 en 2

  • Rb. Gelderland 18 februari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:1376 (Wabo, Omgevingswet, fase 1 en 2., bouwen)
    Fase 1 voor inwerkingtreding Omgevingswet, fase 2 aangevraagd na 1 januari 2024, dus Omgevingswet van toepassing. De voorzieningenrechter stelt vast dat de vergunning van 12 maart 2024 door het college is verleend op grond van artikel 2.5 van de Wabo. Deze vergunning wordt door partijen aangeduid als de omgevingsvergunning fase 1. De vergunning van 30 oktober 2024, zoals gewijzigd op 6 december 2024, is verleend op grond van de Omgevingswet. Deze vergunning wordt door partijen aangeduid als de omgevingsvergunning fase 2. De voorzieningenrechter merkt op dat de omgevingsvergunning fase 1 door het college uitdrukkelijk is verleend op grond van artikel 2.5 van de Wabo. Uit de laatste volzin van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo volgt evenwel dat dit in dit geval niet had gehoeven, omdat dat artikel de mogelijkheid geeft om een vergunning voor de c-activiteit los aan te vragen van de overige activiteiten. Daarbij komt dat uit de Invoeringswet Omgevingswet volgt dat in dit geval de koppeling tussen de twee besluiten vervalt en dat twee zelfstandige omgevingsvergunningen ontstaan (zie rechtsoverweging 3.3). De voorzieningenrechter zal omwille van de duidelijkheid van partijen hierna toch spreken over de omgevingsvergunning fase 1 en de omgevingsvergunning fase 2. Omdat het besluit fase 1 nog niet onherroepelijk is, vervalt de koppeling tussen het besluit fase 1 en fase 2. Dat volgt uit artikel 4.79, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet waarin staat dat artikel 6.3 van de Wabo niet van toepassing is op de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag met betrekking tot de eerste fase van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.5 van de Wabo. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.1. overwogen is op de aanvraag omgevingsvergunning fase 1 de Wabo van toepassing. Als deze vergunning onherroepelijk wordt, levert dat op grond van artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een zelfstandige omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet op.

Zorgplicht Omgevingswet, soortenbescherming

  • Rb. Gelderland 18 februari 2025, ECLI:NLRBGEL:2025:1311 (Zorgplicht, art. 11.27 Bal, soortenbescherming, kerkuil. Last onder dwangsom)
    Verzoek om een voorlopige voorziening gericht tegen de stillegging van werkzaamheden en de daaraan gekoppelde last onder dwangsom wegens schending van de specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster in strijd heeft gehandeld met de specifieke zorgplicht, omdat zij onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de eventuele aanwezigheid van (rustplaatsen van) de kerkuil op het perceel. Ook is de voorzieningenrechter van oordeel dat handhavend optreden in dit geval niet onevenredig is. Omdat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college in dit geval niet heeft gehandhaafd wegens het verstoren van een rustplaats van de kerkuil zonder omgevingsvergunning (de concrete verbodsbepaling), omdat ten tijde van de stillegging van de werkzaamheden onvoldoende vaststond of dit verbod overtreden was. Het college heeft aanleiding gezien om in dit geval te handhaven wegens schending van de specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van het Bal, omdat verzoekster volgens het college onvoldoende onderzoek heeft verricht voordat zij is aangevangen met de werkzaamheden. De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk dat zich op het perceel van verzoekster ten tijde van het stilleggen van de werkzaamheden een rustplaats van de kerkuil bevond. Het enkele feit dat zich op het perceel een rustplaats van de kerkuil bevindt en verzoekster (zonder omgevingsvergunning) is aangevangen met werkzaamheden waarbij de rustplaats mogelijk verstoord wordt, is onvoldoende om aan te nemen dat verzoekster in strijd met de specifieke zorgplicht heeft gehandeld. Voor de vraag of verzoekster in dit geval de specifieke zorgplicht heeft geschonden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter bepalend of zij alle zorg heeft betracht die in redelijkheid van haar verwacht had mogen worden om ten tijde van de aanvang van de werkzaamheden op de hoogte te (kunnen) zijn van de aanwezigheid van (de rustplaats van) de kerkuil op het perceel. Niet vereist is dat verzoekster ten tijde van de aanvang van de werkzaamheden ook daadwerkelijk de wetenschap had dat de kerkuil een rustplaats heeft op het perceel.

Zorgplicht Omgevingswet

  • Rb. Rotterdam 14 februari 2025, ECLI:NLRBROT:2025:1816 (Zorgplicht, art. 2.11 Bal, Omgevingswet, geurhinder)
    Verzoekster is een glastuinbouwbedrijf. Artikel 3.206 van het Bal bevat algemene regels waar een glastuinbouwbedrijf aan moet voldoen. De voorzieningenrechter stelt vast dat in dit artikel geen regels voor het aspect geur zijn opgenomen. Ook het Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee bevat geen regels voor het aspect geur voor glastuinbouwbedrijven. De Omgevingswet kent een algemene zorgplicht en specifieke zorgplichten. Op grond van artikel 2.11 van het Bal is degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, verplicht a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c onder 5, van het Bal volgt dat de regels in de hoofdstukken 2 tot en met 5 over milieubelastende activiteiten gesteld zijn met het oog op het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder. In artikel 2.13 van het Bal wordt de bevoegdheid gegeven om maatwerkvoorschriften te stellen over onder meer artikel 2.11 van het Bal.
    Uit de parlementaire geschiedenis volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het bevoegd gezag bestuursrechtelijk kan handhaven bij een evidente strijd met een specifieke zorgplicht. De voorzieningenrechter oordeelt dat de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Bal in beginsel alleen geldt wanneer het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht. Alleen dan kan een overtreding van de specifieke zorgplicht aan een handhavingsbesluit ten grondslag worden gelegd. De voorzieningenrechter sluit hiermee in zoverre aan bij de invulling die in de rechtspraak is gegeven aan de mogelijkheid tot handhaving van de zorgplicht uit het voorheen geldende artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De voorzieningenrechter kan niet vaststellen of er sprake is van een overtreding van artikel 2.11 van het Bal op grond waarvan [naam verweerder] handhavend kon optreden.
    Bij het afwegen van de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van [naam verweerder] en derde-belanghebbenden die pleiten tegen het treffen daarvan af acht de voorzieningenrechter het volgende van belang. [naam verweerder] heeft op 29 november 2024 een voornemen tot het opleggen van maatwerkvoorschriften genomen. Verzoekster heeft op 10 januari 2025 een zienswijze ingediend. [naam verweerder] heeft ter zitting verklaard dat het besluit tot het opleggen van maatwerkvoorschriften eind februari wordt verwacht. Ter zitting is gebleken dat verzoekster reeds meerdere geurfilterinstallaties in de kassen heeft laten installeren en dat eind februari alle geurfilters geïnstalleerd zullen zijn. Daarnaast heeft verzoekster in het kader van de maatwerkvoorschriften een geuronderzoek laten uitvoeren door Peutz. Ter zitting is door ir. S.P.M. van den Akker van Peutz verklaard dat er monsters zijn genomen en dat deze naar het laboratorium zijn gestuurd voor verder onderzoek. De uitslagen van het geuronderzoek worden eind februari dan wel begin maart verwacht. De voorzieningenrechter ziet, de korte termijn waarop de uitkomst van het geuronderzoek (waarbij het effect van de geurfilterinstallaties wordt meegenomen) en het maatwerkvoorschriftenbesluit te verwachten zijn en de belangen van partijen afwegend, grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.